www.javanenvansuriname.info

HOME SECONDHOME NIEUWS BASA JAWA BAHASA INDONESIA MULTIMEDIA WEBMASTER SITEMAP
 

IMMIGRATIES

kukur-kukur = zich krabben

DE KOMST VAN DE JAVANEN

Immigratie Hoofdpagina
Immigraties in Suriname Emancipatiewet
Javaanse immigratie Onderzoek
Komst Javanen in Suriname Achtergronden
Artikelen Javaanse immigratie Downloads
Laatsten der immigranten Een interview
Lijst van schepen
Tijdlijn Herdenking en Viering
Visie BanyuMili Herdenking en Viering
Wat doet BanyuMili in 2015

 

 

 

Achtergronden

 

Elk volk of etnische groepering kent in zijn geschiedenis momenten waarop zij of hij trots is. Gebeurtenissen die belangrijk zijn voor de eigen identiteit. Deze gebeurtenissen worden daarom ook regelmatig (vaak ieder jaar) herdacht. Zo is voor de Surinaamse Javanen met historisch besef, 9 augustus een belangrijke datum.

 

Inleiding

Elk volk of etnische groepering kent in zijn geschiedenis momenten waarop zij of hij trots is. Gebeurtenissen die belangrijk zijn voor de eigen identiteit. Deze gebeurtenissen worden daarom ook regelmatig (vaak ieder jaar) herdacht. Zo is voor de Surinaamse Javanen met historisch besef, 9 augustus een belangrijke datum.
De Surinaamse Javanen hebben uiteraard ook hun oudste geschiedenis die via Suriname teruggaat naar het verre Indonesië. Dit is het land vanwaar onze ouders of voorouders als immigranten naar het koloniale Suriname, vaak in miserabele omstandigheden, werden verscheept. Dit om als contractarbeiders (ook met kinderarbeid) op de plantages tewerk te worden gesteld.
De geschiedenis van de "Surinaamse Javanen" echter begint op 9 augustus 1890, toen de eerste immigranten voet aan wal zetten op Surinaamse bodem. Deze immigranten brachten in hun bagage een rijke cultuur mee o.a: adat, traditie, religie, taal, eetgewoonten, kleding, zang, dans en muziek.
Voor de Javaanse jongeren dreigt de geschiedschrijving over de immigratie in het vergeetboek te geraken: wat weten de Javaanse jongeren nog over onze ouders of voorouders die een periode van ontberingen ( zware arbeid, karige lonen, veel belediging en minachting voor het leven) hebben meegemaakt als Javaanse immigrantarbeiders?

Afschaffing slavernij

Op 1 juli 1863 werd de slavernij in Suriname afgeschaft. In Suriname ontstonden er daardoor nog grotere problemen met het toch al nijpende arbeidstekort. Hierdoor werd het steeds moeilijker om de plantages draaiende te houden. Ondanks het ingestelde staatstoezicht op de ongeveer 140 plantages die Suriname in 1863 telde, verlieten vele voormalige slaven de plantages om zich in Paramaribo te vestigen. Lang voor de afschaffing van de slavernij in Suriname was het al duidelijk geworden dat de vrije slaven niet op de plantages wilden blijven werken. Nederland was op dat moment een van de laatste kolonisatoren die de slavernij afschafte, en had die ontwikkeling kunnen zien aankomen bij de Britse en de Franse koloniën.

Chinezen en Hindoestanen

In het jaar 1808 werd de slavenhandel door Engeland verboden. Daardoor ontstond ook in Suriname uiteindelijk een steeds groter wordend tekort aan arbeidskrachten. Dit tekort trachtte men op te heffen door aanvoer van arbeiders uit het buitenland. Reeds in 1853 werden er uit Java en Madeira, Chinese respectievelijk Portugese landarbeiders aangevoerd. Zij werden op bepaalde plantages tewerkgesteld. Het ronselen van Chinezen eindigde in 1873. Met de immigratie van de Chinezen en de Portugezen was in Suriname tevens de basis gelegd voor een multiculturele samenleving. De aanvoer van Chinese en Portugese landarbeiders bleek echter niet voldoende om het tekort aan plantagearbeiders op te heffen. Hierdoor ging men Hindoestaanse arbeiders aanvoeren uit de Engelse koloniën, waar de slavernij al in 1833 was afgeschaft. Deze aanvoer van Hindoestaanse immigranten werd mogelijk gemaakt door een in 1870 gesloten traktaat tussen de Nederlandse en Engelse regering. Op 5 juni 1873 betraden de eerste Hindoestaanse immigranten uit de Engelse kolonie Brits Guyana de Surinaamse bodem. In 1917 werd onder druk van de nationalistische bewegingen in Brits-Indie het traktaat opgezegd.

De komst van de Javanen

De eerste Javanen gingen vanuit Indonesië niet rechtstreeks naar Suriname. Met de Prins Alexander en de Prins Willem II werden ze naar Nederland verscheept. Daar stapten ze over in de Koningin Emma. Op 9 augustus 1890 arriveerde de Koningin Emma met 94 Javaanse contractarbeiders in de haven van Paramaribo. Het betrof 61 mannen, 31 vrouwen en 2 kinderen. Deze eerste Javaanse contractanten waren in de vorm van een experiment en op particulier initiatief naar Suriname aangevoerd. Dit experiment bleek geslaagd te zijn, waarna de Javaanse immigratie van overheidswege ter hand werd genomen. Op deze manier werd de continuïteit van het aanbod aan arbeidskrachten in Suriname gewaarborgd. Het volgende schip, het S.S. Voorwaarts, verliet Java met 614 Javanen aan boord en meerde op 16 juni 1894 in Paramaribo af.

Tijdens de overtocht moesten de contractanten op deze en andere boten vaak zware ontberingen doorstaan. Daarbij vielen meer dan eens doden. Dat gebeurde ook tijdens de overtocht met het S.S. Voorwaarts. Het schip was overbevracht en niet goed ingericht op personenvervoer. Het resultaat was dat van de 614 opvarenden uit Nederlands-Indië er 64 mannen, vrouwen en kinderen stierven, en twee kinderen dood werden geboren. Van de 64 slachtoffers stierven er overigens 32 tijdens de overtocht. Direct na aankomst in Paramaribo werden 85 personen in het ziekenhuis opgenomen, van wie nog eens 32 mensen als gevolg van de miserabele omstandigheden tijdens de reis, kwamen te overlijden. Niemand werd vervolgd en de toenmalige minister van koloniën ging niet verder dan de kwestie ‘’ten zeerste te betreuren’’. Hij sprak desondanks zijn waardering uit voor de Handel Maatschappij die de verscheping geheel belangeloos verrichtte. De kwestie werd maar zo snel mogelijk vergeten, want het betrof toch alleen maar arme onbelangrijke mensen.

Van 1890 tot 1939 werden er zo ongeveer 33.000 Javaanse contractarbeiders aangevoerd. De immigratie van Javanen eindigde in 1939 door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Van de Javaanse contractarbeiders zijn er ruim 7.500 na afloop (of na een verlenging omdat er geen retourboot beschikbaar was na afloop van hun eerste contract) teruggekeerd naar Nederlands-Indië. Ook in latere jaren konden velen de roep van het vaderland niet weerstaan; zo keerden in 1954, nadat Indonesië onafhankelijk werd, ongeveer 1.000 personen terug. Daarnaast vestigden er zich ongeveer 150 Javanen in Frans Guyana. Velen hadden nog tot de onafhankelijkheid van Suriname de Indonesische nationaliteit.

Grafiek 1: Aangekomen Javaanse contractanten (aantallen), 1890-1939

Grafiek 2: Vertrokken ex-Javaanse contractarbeiders (aantallen), 1897-1956

Als het aan gouverneur Kielstra (een oudgediende uit Indië) had gelegen, zouden er 100.000 Javanen in 10 jaar tijds zijn aangevoerd. Kielstra was van 1933 tot 1943 gouverneur van Suriname. Het plan dat gouverneur Kielstra ontvouwde, zou een rigoureuze verjavaansing van Suriname betekenen. Minister van Koloniën, Welter wilde echter niet zover gaan, en achtte ruim 1000 Javanen per jaar realiseerbaar. Volgens Kielstra zouden voor de Javanen, Indonesische landbouwdorpen (desa’s) opgezet moeten worden met scholen waar in het Javaans zou worden les gegeven. Er zijn vijf Kielstra dorpen gerealiseerd, o.a Kampong-Baroe en Tamanredjo. Deze dorpen kenden een zelf(dorps)bestuur, waarvan de lurah het dorpshoofd is. De Javanen (evenals de Hindoestanen) zouden meer erkenning moeten krijgen voor hun culturele eigenheid. Ondanks hevige tegenwerking van de met Creolen gevulde Staten van Suriname, wist Kielstra door te drukken dat de tot dan gevoerde assimilatiepolitiek vaarwel werd gezegd: de Javanen (en Hindoestanen) kregen vanaf 1936 een (door Kielstra benoemde) afvaardiging in het Surinaamse parlement en een eigen huwelijks- en echtscheidingswetgeving. Door de Creolen werd deze politiek van Kielstra een verdeel- en heerspolitiek genoemd. Zij wilden in Suriname in het midden van het bed liggen en zagen hun machtspositie aangetast. Maar het Kielstra beleid om grote aantallen Javanen te laten migreren is door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nooit verwezenlijkt. Op 13 december 1939 arriveerden de laatste 990 Javaanse immigranten in Suriname.

Arbeidscontract tekenen

De Javaanse contractarbeiders moesten een contract tekenen waarin hun rechten en plichten waren opgenomen. De meest belangrijkste clausules waren:
1. De contractant moet vijf jaren werken, zes dagen in de week; per dag zeven uren op het land en tien uren in de fabriek.
2. Het dagloon voor mannen ouder dan 16 jaar bedraagt 60 cent. Vrouwen en kinderen tussen de 10 en 16 jaar kregen 40 cent per dag.
3. De werkgever was onder geen enkele omstandigheid verplicht de contractanten te onderhouden. Wel moest bij de contractanten voor de eerste drie maanden proviand verstrekken, welke dezen later terug dienden te betalen.
4. Na afloop van de contractperiode had de contractant het recht op een vrije overtocht naar het land van herkomst.

Na vervulling van de vijfjarige werkovereenkomst kon men ook het contract verlengen en op de plantage blijven. In zo’n geval ontvingen de Javanen een bonus van 20 gulden voor elk jaar dat zij langer bleven. De immigranten die om een of andere reden besloten om zich na afloop van het contract permanent in Suriname te vestigen kregen een stukje grond. Daarnaast kregen ze de 100 gulden repatrieëringsgeld terug.

Het verhaal van een migrant

De heer Kamsi, die in Suriname de naam Mariman heeft aangenomen, was ongeveer 17 jaar oud toen hij in Suriname aankwam. De reden van de naamsverandering is niet bekend. Hij is geboren in het dorp Djenengan, in Kalasan Kandjeng Ngajodjo. Waarschijnlijk maakt dat tegenwoordig onderdeel uit van Jogyakarta. Zijn vader was landbouwer. Zijn opa Karyo, was in datzelfde dorp ‘lurah’ dorpshoofd. Een oom van hem ‘Pa gede: Djimin Djodreo’ was djoko bojo , waarschijnlijk ‘secretaris’. Een andere oom van hem genaamd ‘Dyo’ was kebayan (Dorpsfunctionaris), in Karang Nongko.

Als aan hem gevraagd werd wat de beweegredenen waren om naar een ver land als Suriname te emigreren, antwoordde hij dat hij door een onbekende man (ronselaar) was betoverd. Hij vertelde dat hij na een schop in de schenen van die onbekende, zich verder niets meer kon herinneren. Hij kwam pas bij toen hij in het schip zat op weg naar Suriname. Merkwaardig is dat "betovering" door een groot deel van de Javaanse immigranten als een reden werd opgegeven. In de wandelgangen staat deze praktijk van de ronselaar bekend als "di werk".

De heer Mariman vertrok op 15 augustus 1927 uit Indonesië met de Madioen 4 en kwam na een reis van 41 dagen op 24 september 1927 in Suriname aan. Hij had identiteitsnummer 1184/AE gekregen.

Identiteitsbewijs

In Suriname was hij vanaf 24 september 1927 tot 24 september 1932 tewerkgesteld op de plantage Nieuw Clarenbeek in het district Commewijne. Zijn terugkeerpremie, honderd gulden groot, had hij op 19 september 1936 geïnd. De tijd na zijn contractperiode was hij werkzaam als arbeider bij het Ministerie van Landbouw Veeteelt en Visserij te (proefstation) La Poule. Op zestigjarige leeftijd is hij met pensioen gegaan. Zijn pensioen bedroeg enkele centen meer dan f 45,- (Surinaams) per maand. Hij was zeer trots op zijn pensioen maar helaas was dat pensioen niet geïndexeerd, waardoor anno 1992, toen de prijzen van kosten van levensonderhoud explosief waren gestegen, met dat pensioen niet eens een 1 literfles Cola gekocht kon worden. Hij heeft altijd de Indonesische nationaliteit behouden

Indonesische paspoort

In Suriname ontmoette hij jaren later per toeval zijn neef Kasdjo Djojodimedjo (511/VI). Deze was op 27 juli 1930 vanuit Semarang met de Djember uit Indië vertrokken en kwam op 15 september 1930 in Paramaribo aan.

Bij de onafhankelijkheid van Suriname verkreeg hij daarnaast automatisch de Surinaamse nationaliteit. Hij is op 84 jarige leeftijd overleden te Kampong Baroe in Suriname.

Minachting

Een grote meerderheid van de Javanen was als contractarbeiders, of daarna als zelfstandige, werkzaam in de kleine landbouw. Het was zo dat de Javaanse boer het economisch niet slecht had. Maar het boerenleven isoleerde de Javanen lang van de andere bevolkingsgroepen. Ook de slechte scholing van de Javanen droeg daaraan bij, omdat ze alleen in aanmerking kwamen voor laaggeschoolde vacatures (handenarbeid). Een andere reden voor die slechte baantjes waren de vooroordelen van de andere bevolkingsgroepen tegenover de Javanen. Bij de Creolen boven aan de sociale ladder, leidde dit tot discutabele grapjes over de Javanen ofwel "Saka Saka Japanesie" . De zielige indruk die de Javanen met hun kaartje om hun nek bij hun aankomst op de Creolen maakten, leefde nog lang voort. Een veel gehoorde opmerking van de Creolen tegenover de Javanen was: " Broer (kan), wat weet jij eigenlijk. Je bent gekomen met een kaartje om je hals. ‘’kan, sang joe sabi, joe kong dja nanga karta na joe nekie". En later, vanaf de Tweede Wereldoorlog, toen veel Javanen naar de hoofdstad verhuisden: Kan, wat doe je in de stad, je moet naar het platteland om rijst te planten "Kan sang joe doe dja na foto, joe moe go na grong foe plani alesi’’. Tegenover de Javaanse vrouw hadden de Creoolse mannen niet veel meer in petto dan ‘vrouw, ga voor een kwartje met mij naar bed ‘’Mbajoe, stalie mek mek’’. Ook de Hindoestanen, eveneens ex-contractarbeiders keken neer op de Javanen. Voor hen was dat een bevolkingsgroep die alleen maar van de ene dag op de andere kon leven, vandaar de term ‘’Malahi’’ die de Hindoestanen gebruiken. Een ander gehoorde minachtende kreet was Javanen eten trasie "Japanesie njang trasie". Het Javaans eten was toen nog niet in de Surinaamse keuken doorgedrongen. Inventief als de Javanen waren om aan inkomen voor levensonderhoud te komen verkochten zij in de stad schaafijs, dus wordt ze dan "ijs Pae’’ nageroepen. De Javanen op hun beurt zagen de andere bevolkingsgroepen liever van achteren dan van voren: ze noemden de Creolen (tijang tjemeng of blackaman of blanda, waarvan de letterlijke vertaling: zwarte witte man). De Hindoestanen waren gierige koelies (tijang koenten).

Slot

Anno 2000 is het bovenstaande beeld deels in positieve zin vervaagd. De vele bevolkinggroepen leven nu in ons Suriname in goede harmonie met elkaar samen. De eetgewoonten van de Javanen zijn nu in Suriname volledig ingeburgerd. De Javanen zijn nu ook beter opgeleid, politiek bewuster, sociaal, economisch en maatschappelijk erop vooruit gegaan en verder redelijk geïntegreerd in de Surinaamse samenleving. Ze bekleden nu bij de overheid ook hogere functies, dat is te zien als men de telefoonlijst van de ministeries naslaat. Ruim twintig jaar geleden was zoiets nauwelijks zichtbaar.

Het beschikbaar stellen en analyseren van de historische data van de Surinaamse Javanen kan in de leemte van het historisch besef (het gebrek aan kennis over de afkomst van de huidige generatie) deels voorzien. Maar helaas is er, behalve het onderzoek van de Waal Malefijt en Suparlan, verder weinig bekend over de beleving van de Javaanse contractarbeiders zelf. Op dit moment leeft er nog een klein deel van deze migranten in Suriname en ook in Nederland. Het is dan ook heel hard nodig om met deze kleine groep overgebleven migranten verder te praten over de motieven van hun migratie. Belangrijk is verder hoe ze nu het permanent verblijf in Suriname of in Nederland als geheel ervaren en beoordelen. De gebeurtenissen dienen wetenschappelijk te worden vastgelegd voor het nageslacht. Tot slot daarom een publieke oproep aan Javaanse wetenschappers om een prodeo onderzoek op te starten naar de overgebleven migranten zodat hun ervaringen voor het nageslacht kunnen worden gered. Gezien de leeftijd van de meeste migranten is daarbij haast geboden. Het kan nu nog net!

Auteur:

P.P. Mangoenkarso

In 1980, werkzaam in Suriname als hoofd van de afdeling Bevolkingsstatistiek van het Algemeen Bureau voor de Statistiek. In het kader van zijn afronding van de cursus kwalitatief onderzoek heeft hij een onderzoeksvoorstel geschreven voor een grootschalig onderzoek naar de overgebleven voormalige Javaanse immigranten in Suriname.

Aan de totstandkoming van dit artikel spreekt auteur zijn dank uit naar dhr Drs. J. Kras en mw. Mr. M. Schouten voor hun kritische opmerkingen.

Literatuur:

1. de Waal Malefijt A. de 1963. The Javenese of Suriname: Segment of a plural society.
2. Suparlan Pursadi 1976. The Javenese of Suriname: Ethnicity in an Ethnitically Plural Society
3. Paul O phey, Javanen in Suriname, Cultureel maandmagazine over Indonesië, Indonesië naderbij.

 

 
DIASPORA  SURINAME  IMMIGRATIE  TAAL  CULTUUR  THEATER  MUZIEK  LITERATUUR  ARCHIEF
HOME  SECONDHOME  NIEUWS   BASA JAWA   BAHASA INDONESIA   MULTIMEIDA  WEBMASTER   SITEMAP