www.javanenvansuriname.info

HOME SECONDHOME NIEUWS BASA JAWA BAHASA INDONESIA MULTIMEDIA WEBMASTER SITEMAP
 

 

BanyuMili Is Mijn Verhaal...
Een eerbetoon aan de Javaanse contractarbeiders in Suriname

sida = werkelijk geschieden

 

 HOME
SECONDHOME
WEBMASTER
BASA JAWA
BAHASA INDONESIA
MULTIMEDIA
LIVESTREAM
GUESTBOOK
SITEMAP
WEBMASTER
MIJN GEBOORTEDORP BAKKIE

WEBMASTER
De webmaster... Leer hem kennen
Javaanse jongen uit Bakkie
Inburgering in Nederland
Mijn geboortedorp Bakkie
Wayang en Semar op Bakkie
Internaat Taman Putra
Interview Rotterdams Dagblad
Muzikale herinneringen
Sana Budaya Paramaribo
Javaanse taal op de radio
Overdenkingen en mijmeringen
Terug naar Bakkie
Tijdlijn

 

 

 

 

Enkele families en de dierbare herinneringen zijn gebleven
 

Reynsdorp of Bakkie, de nestwarmte van alle Bakkinezen. Het laatste dorp aan de Matapicakreek zoals het op de kaart te zien is. Verscholen en kende destijds toch een bloeiend cultureel leven. De onvergelijkbare saamhorigheid. Nu is alles bijna in bezit genomen door het tropische oerwoud. Bijna, want 'Watrasé' is nog bevolkt door enkele Bakkinezen die het mooie dorp van weleer niet willen verlaten. De herinnering leeft voort in onze gedachten. Meegenomen naar een andere 'tanah sabrang': Nederland geheten. In de zogenoemde Bakkieflat in Hoogezand kan men nog een snuifje van de typisch Bakkische nestwarmte en saamhorigheid proeven. Daar wonen enkele families afkomstig uit Bakkie.

 

 

Geschiedenis koffieplantage Reynsdorp
1744  Stichting plantage. De geschiedenis van de plantage hangt samen met de geschiedenis van het geslacht Reynsdorp in Suriname. De broers (of neven) Nicolaas en Hermannus Laurens moeten omstreeks 1730 in Suriname zijn gearriveerd. Zij huwden er met de gezusters Craffort. De broers behoorden tot de Lutherse gemeente, en hun wel en wee is via de registers van deze gemeente enigszins te volgen. Nicolaas Reynsdorp was gehuwd met Anna Alexandrina Craffort. Uit dit huwelijk is 1 kind bekend, Johanna Maria (geb. 1747). Nicolaas wordt reeds in 1737 genoemd als de eigenaar van de oude en rijke suikerplantage Fortuin aan de Commetuanekreek, en later als eigenaar van de plantage Reynsdorp. Hij is — blijkens de warrand van de eerste gronduitgifte — ook de aanlegger van de plantage. Omstreeks 1902 werd de plantage opgekocht door het gouvernement en verkaveld in kleinlandbouwpercelen voor immigranten die hun contract hadden uitgediend. Zo is het lieflijke dorpje Bakkie ontstaan. De kali van Bakkie of Reynsdorp is de oorsprong van BanyuMili (Stromend Water).

 

Het lied van ons mooi Reynsdorp...
wij zongen het heel vaak op de lagere school van Bakkie

Rechts van de Matapica
Daar wonen wij tezaam
Ons woonplaats heet Reynsdorp
Wij houden van die naam
Waar wij later zullen reizen
Vergeten doen wij het niet
Daar wonen onze vrienden
Zo ver mijn huizen ziet

 

Het laatste dorp, dat vanuit Paramaribo per boot via eerst de Suriname, de Commewijne rivier en vervolgens de Matapicakreek is te bereiken, heet Reijnsdorp. Er zijn geen autowegen naar Bakkie. Want zo heet Reijnsdorp in de volksmond. Per fiets vanuit Paramaribo kon je wel en was het bovendien ook heel erg gezellig. Als je tenminste met z'n tweeën gaat. Of de zandweg van Rust en Werk naar Bakkie nu nog begaanbaar is, weet ik niet. Maar de herinnering ligt nog vers in het geheugen.

De reis van Paramaribo naar Bakkie. Eerst per bootje de Suriname rivier over naar de plaats Rust en Werk en vandaar uit de reis voortzetten langs smalle zandwegen. Dertig kilometer of iets meer, vele kleine dorpen langs of er door fietsen, links en rechts dichte oerwoud. Hier en daar open plekken en een verlaten dorp. Of een niet meer gecultiveerde landbouwgrond. De zon scheen voelbaar heet op je huid als sambal op een overheerlijke Javaanse loempia. Fietsen deed men niet 's avonds, want de nacht was echt de nacht, er was geen elektriciteit en was het dan ook hartstikke pikkedonker.

Het gesjirp van de vogels die met elkaar probeerden te communiceren, misschien wilden ze wormpjes van elkaar bietsen. Een geritsel, wat was het? Een slang die plots de zandweg overstak, een hagedis of was het een groot dor blad dat eerst zachtjes naar beneden dwarrelde, kronkelend tussen de bomen en haar rust op een droge plek op de zachte grond vond. Nu en dan een tegenligger, een fietser, een bromfietser of een voetganger. Of een groep vermoeide kinderen die van school, onderweg naar huis liepen. Even stoppen, een amicaal babbeltje met een kleine landbouwer. Of even een flesje fris bij een dorpswinkel. Zo was het vroeger. 

Tapoeripa, Tempati en Paramaribo

Nu zijn vele van die idyllische dorpen overwoekerd door het tropische oerwoud. Reijnsdorp, Bakkie dus, is voor het grootste deel 'opgegeten' door de vele plantensoorten van het tropische regenwoud. De steiger, aanlegplaats van de reguliere rivierbootdienst, is armetierig, zo bouwvallig.
Een vakantieganger vertelt. De winkel bij de uitwateringssluis is er niet meer. Watrasé, zo heet het voorste deel van Bakkie bij de rivier. Op dinsdag, vrijdag en zondag was het daar een drukte van jewelste. Want op die dagen kwam de rivierboot De ' Tapoeripa' of de 'Tempati'. De rivierboot was de enige vorm van openbaar vervoer. Het vervoersbiljet voor de rivierboot werd door de kapitein uitgeschreven. Retourtje Bakkie twee gulden en vijftig. Een enkele reis Bakkie-Paramaribo kostte één gulden en vijftig cent Surinaams. Soms, aan het einde van de grote schoolvakantie, kwam de dubbeldeks 'Paramaribo', want dan gingen de kinderen van Bakkie, die in de stad op school zaten, terug naar de internaten. Andere mogelijkheden waren er niet.

'Prrrrroeoeoeoem'. Aan het geluid van de hoorn kon je horen: "No no na a 'Paramaribo é doro", riep een Creoolse vrouw tegen de in sarong gehulde Javaanse die naast haar stond en smakelijk een dot groente met hete pindasambal in haar mond duwde. Petjel was dat, een Javaanse lekkernij... of was het meer heternij!

Het was de bloeiperiode van Bakkie. In de periode van mijn jeugd, van 1955 tot 1962. Bakkie heb ik op mijn twaalfde verlaten om in de stad de beroemde Sint Paulusschool te bezoeken.

BSC... Bakkie Sport Club

Bakkie kende een voetbalclub, Bakkie Sportclub met een eigen heuse voetbalveld. BSC, zo stond het op de shirts, was de trots van de voetbalfanaten van Bakkie. Regelmatig werkten ze competities af en niet zelden werden zij plaatselijk kampioen. Als er weer een wedstrijd was op het eigen terrein, dan was het feest. Meestal werd het op zondag gespeeld. Dus iedereen in hun zondagse kleren. Want er kwamen bezoekers uit een ander dorp. Bakkie was welvarend, dus dat zouden de bezoekers het weten ook. Men moest over een bruggetje om op het voetbalveld te komen, maar eerst een stuivertje, vrijwillig, in een blikje met een gleufje. Een concarde als bewijsstuk kreeg je op je borst gespeld. Leuk, roodwitte concarde, dat waren de kleuren. Dat vonden de kinderen best mooi .

Bakkie, Alliance, Constancia en Bruinendaal

Bakkie is een Javaans dorp. Aan de rand woonden er wel Hindoestanen en Creolen. Een enkel Creoolse familie woonde ongeveer in het midden van het dorp. Johnny, een creoolse jongen, zat bij mij op school, in dezelfde klas als ik. Trouwens, er was maar één lagere school in de buurt. Kinderen kwamen van heinde en verre om daar op school te gaan. Van Aliance, Constantia en Bruinendaal. Schitterende namen voor Surinaamse dorpen, anders dan Santigron of Bigi Poika. Aan het einde van de bloeiperiode had Bakkie ook een mulo-school gekend, alleen voor de eerste klassers. Bakkie heeft geleerden geleverd aan de maatschappij. Sommigen hebben universiteiten in Nederland bezocht en daar afgestudeerd. Bakkie mag best trots zijn op hun Javaanse kinderen. Javaanse kinderen met hun mooie Javaanse taal, van huis uit meegekregen van de ouders. De Javaanse taal met haar beleefdheidsvormen. Prachtig. En de cultuur niet te vergeten natuurlijk. Ludrug was populair op Bakkie. En de naam van het gezelschap heette Mulya Utama. De ludrug is een toneelvorm over de alledaagse beslommeringen van de kleine mens. Van de kleine Javaanse landbouwers, de rijstplanters op hun eigen landbouwgronden. Wanneer er bij iemand een feest werd georganiseerd, kwamen ze bij elkaar om elkaar te helpen volgens het gotong-royong en rukun principe. Andere cultuuruitingen zijn de wayang kulit en daarvan afgeleid de wayang wong. De tayuban of lèdhèkan is voor velen de manier van ontspannen om de dagelijkse beslommeringen te doen vergeten. Bij al deze cultuuruitingen staat de gamelan muziek centraal.

Bakkie was mijn thuis, mijn warme nest, nu zijn het alleen maar de herinneringen die voortleven. Als de zon ’s morgens opkwam, begon het dagelijkse leven op gang te komen. Kinderen maakten zich op voor de gang naar school. Baden, eerst water halen uit de put met een emmer en dan die leeggieten in een tobbe. Met een klein kommetje gemaakt van kalebas goot je het water zo over je lichaam. Sommige kinderen aten ’s morgens al rijst als ontbijt, De kinderen van 'rijke' ouders kregen vijf centen voor wat lekkere snacks van de warung. Uit de verte zag je een klein groepje kinderen, het werd groter naarmate die groep de school naderde. Ik woonde drie kilometer van de school. Het was vijf dagen in de week drie kilometer heen en drie terug, op blote voeten.
’s Morgens om zeven uur voelde je al de warmte van de zon die een paar uur later Bakkie voorzag van meer dan een behaaglijke warmte. Nee, het was zweten, elke dag maar weer. Moeders die bij dag en dauw al driftig doende waren om de dag goed te laten beginnen. De walmende geur van trasi (pasta van gefermenteerde garnalen) snoof je al om vijf uur in de ochtend. De rijst van zelfgeplante padi (rijst met kaf), het geschenk van God, ontbrak natuurlijk niet. 

Rijstplanten, sambatan en Semar

Iedereen plantte rijst in de regentijd. Eerst worden de sawa's gereedgemaakt. Er werd gebruik gemaakt van het 'sambatan' principe. Men nodigde een aantal dorpsbewoners om te helpen wieden op de sawa's. Het water stond je tot aan de knie. Na hard werken was het tijd om gezamenlijk te gaan eten. Iedereen kreeg een bord met rijst met vis en groenten of wat anders. Dan ging iedereen naar huis, want het ruwe werk was al geklaard. De volgende dag op naar de volgende sawa. Misschien wel van de buurman aan de overkant van het kreekje. Of ergens anders, twee kilometer verder. Zo werden de sawa's van de kleine landbouwers voor de rijstplant gereedgemaakt.

Zo was het leven op Bakkie: iedereen hielp iedereen, niet alleen met werken, maar ook met eten. Eten stond centraal, er was altijd eten in huis. Al was het maar een pot gekookte rijst.

Maar Bakkie is niet meer de Bakkie uit mijn tijd. Bakkie is bijna leeg. Iedereen is vertrokken uit Bakkie. Jongeren zijn er ook niet meer te vinden. Bakkie is oud en bejaard. Ook ik heb Bakkie in de steek gelaten. Op mijn twaalfde. Ook mijn vriend Semar heeft Bakkie de rug toegekeerd.
Dag mijn mooie Bakkie...

 

 
DIASPORA  SURINAME  IMMIGRATIE  TAAL  CULTUUR  THEATER  MUZIEK  LITERATUUR  ARCHIEF
HOME  SECONDHOME  NIEUWS   BASA JAWA   BAHASA INDONESIA   MULTIMEIDA  WEBMASTER   SITEMAP